Op zwaar getroffen percelen staan daardoor planten met kleine kolven of zelfs helemaal zonder kolf. De vraag is dan hoe lang het nog zinvol is om het gewas te laten staan. Bij maïs zonder goede kolfontwikkeling komt de potentiële voederwaarde immers veel minder uit zetmeel en juist meer uit de resterende plant. Tijdig beoordelen van het gewas is daarom belangrijk om zoveel mogelijk voederwaarde te behouden.

Diepe scheuren in de bodem laten zien hoe sterk het vochttekort in een maïsperceel kan zijn.
Een maïsplant heeft tijdens zijn ontwikkeling voldoende vocht nodig. Droogtestress kan de groei afremmen en, afhankelijk van het moment waarop de stress optreedt, gevolgen hebben voor de vorming en ontwikkeling van de kolf.
Op zwaar getroffen percelen kan daardoor een gewas ontstaan dat op het eerste gezicht nog behoorlijk wat massa heeft, maar nauwelijks kolven bevat. Dat heeft grote gevolgen voor zowel de opbrengst als de samenstelling van het uiteindelijke ruwvoer.
De kolf bevat normaal namelijk een belangrijk deel van de droge stof en levert via de korrel veel zetmeel. Ontbreekt de kolf, dan kan het gewas niet meer als normale snijmaïs worden beoordeeld.
Niet ieder perceel met droogtestress hoeft direct geoogst te worden. De situatie op het perceel zelf blijft bepalend.
Bij de afweging is het belangrijk om te kijken naar de conditie van de plant en vooral naar de ontwikkeling van de kolven. Wanneer nog voldoende groen blad aanwezig is en er perspectief is op verdere kolf- en korrelontwikkeling, kan wachten nog waarde toevoegen.
Anders wordt het wanneer een perceel zwaar door droogte is getroffen en er nauwelijks of geen kolven zijn gevormd. De potentiële voederwaarde moet dan hoofdzakelijk uit de verteerbaarheid van de plant komen. Te lang wachten kan ervoor zorgen dat de plant verder verdroogt en uiteindelijk steeds meer het karakter van stro krijgt.
Op zulke percelen kan een noodoogst van de maïs daarom een optie worden.

Een praktijkvoorbeeld uit België van geoogste maïs zonder goede kolfontwikkeling geeft een indicatie van wat we bij dergelijke zwaar getroffen percelen kunnen tegenkomen. Daarbij werden met een NIR-toestel onder meer de volgende waarden gemeten:
Het gaat nadrukkelijk om waarden uit één praktijkmeting. Bovendien is gebruikgemaakt van een NIR-toestel. De resultaten geven daarmee vooral een indicatie en kunnen niet zonder meer als representatief worden beschouwd voor alle door droogte getroffen maïs.
Wel illustreren de cijfers hoe sterk kolfloze maïs qua samenstelling kan verschillen van normaal ontwikkelde snijmaïs.
Het lage zetmeelgehalte in het Belgische praktijkvoorbeeld is logisch. Wanneer door droogtestress geen of nauwelijks kolven en korrels zijn gevormd, ontbreekt een belangrijke bron van zetmeel.
Zo’n gewas krijgt qua voederwaarde daardoor meer het karakter van een grasachtig ruwvoerproduct dan van traditionele snijmaïs.
Ook het gemeten NDF-gehalte van 46% past bij een vezelrijk product waarin het aandeel van de plant groot is en de bijdrage van de kolf beperkt blijft.
De gemeten 968 VEM lijkt op het eerste gezicht gunstig. Ook deze waarde vraagt echter om voorzichtigheid. De aanwezige suikers dragen bij aan de gemeten voederwaarde, maar een deel daarvan wordt tijdens de fermentatie omgezet. De uiteindelijke voederwaarde van de kuil kan daardoor lager uitvallen.
Een door droogte getroffen perceel kan visueel nog behoorlijk wat gewas bevatten. Dat betekent niet automatisch dat er ook veel droge stof wordt geoogst.
In het genoemde praktijkvoorbeeld werd voor percelen zonder kolven gerekend op ongeveer de helft van de normale drogestofopbrengst per hectare. Qua volume kan het verschil kleiner lijken.
Dat komt doordat juist de ontbrekende kolf normaal een belangrijk deel van de droge stof bevat. Veel plantaardig materiaal op het veld kan daardoor een vertekend beeld geven van de werkelijke opbrengst.
Droogteschade betekent niet automatisch dat het complete gewas voldoende droog is om zonder extra aandacht in te kuilen. In het Belgische praktijkvoorbeeld bedroeg het drogestofgehalte slechts 26 tot 28%.
Bij een dergelijk nat product is het beperken van perssapverliezen belangrijk. In de beschreven praktijksituatie werd daarom grover gehakseld. Daarnaast werd onderaan de kuil graszaadhooi aangebracht om eventueel vrijkomend perssap op te vangen.
Omdat kolfloze maïs qua samenstelling meer richting een grasproduct gaat, werd in deze situatie ook geadviseerd om bij toepassing van een inkuilmiddel eerder voor een grasinkuilmiddel te kiezen.
Het praktijkvoorbeeld onderstreept daarmee dat niet alleen het moment van oogsten aandacht vraagt. Ook de manier waarop het geoogste product wordt behandeld en ingekuild, kan aanpassing vragen.
Droogtestress kan binnen een regio en zelfs binnen één bedrijf zeer verschillend uitpakken. Daarom is er geen universeel oogstmoment voor door droogte getroffen maïs.
Kijk vooral naar de toestand van het gewas, de hoeveelheid groen blad en de ontwikkeling van kolven en korrels. Bij percelen waar nog ontwikkeling mogelijk is, kan wachten waarde toevoegen. Bij zwaar getroffen maïs zonder noemenswaardige kolfvorming wordt die kans steeds kleiner.
De kern is daarom niet om door droogte getroffen maïs automatisch vroeg te oogsten, maar om tijdig te herkennen wanneer verder wachten nauwelijks nog extra drogestof- of voederwaarde oplevert. Op kolfloze percelen kan eerder oogsten dan helpen om de resterende waarde van de plant zo goed mogelijk te benutten.
Een bijkomend voordeel van eerder oogsten kan de ruimte in de gewasrotatie zijn. Juist op zwaar getroffen percelen kan het vrijkomende land worden benut om tijdig gras, bekijk hier onze grasmengels, in te zaaien. Daarmee krijgt het perceel na de maïs direct een vervolgteelt en kan de resterende groeiperiode worden benut voor de ontwikkeling van de graszode.
Vooral op zandgronden kan het interessant zijn om na de maïs tijdig gras in te zaaien. Daarmee krijgt het gras nog de kans om zich goed te ontwikkelen en kan het tegelijkertijd passen binnen de verplichte gewasrotatie. Neem die mogelijkheid daarom mee in de afweging tussen het gewas langer laten staan of eerder oogsten.
Neem contact op met jouw regionale specialist.